Openbaring 7:9-17
Tekst : Openbaring 7:9-17
Thema : Wonen bij God
De boekrol
In hoofdstuk 6 is een begin gemaakt met het openen van de zeven zegels van een boekrol. Die boekrol is de geschiedenis van de mensheid. Het openen van de zegels betekent dat de geschiedenis van de mensheid tot voltooiing vol gebracht.
Eerst was er nog de vraag of er wel iemand was die het recht de boekrol te openen. Eigenlijk was het de vraag aan wie het voltooien van de geschiedenis kon worden toevertrouwd. Het leek er zelfs op dat er niemand was. Maar dan is daar het Lam, Jezus Christus. Aan Hem wordt het voleindigen van de geschiedenis toevertrouwd. Ja aan wie anders!
Nu zijn er zes zegels geopend. Er is nog één zegel (het zevende) te gaan. Daarna komt het einde. Het eindoordeel. Maar ook de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Maar dan doet zich iets merkwaardigs voor. Er wordt een pauze ingelast tussen het zesde en zevende zegel. Het is alsof de geschiedenis even haar pas inhoud. Er is even uitstel, pauze, extra genadetijd.
Wij bevinden ons in hoofdstuk 7 in die pauze tussen het zesde en zevende zegel. Daar komen twee groepen aan de orde. De 144.000 die verzegeld worden (1-8) en de schare die niemand tellen kan (9-17). Over die tweede groep gaat het in de preek vanmorgen.
Wie zijn dat? Dat is ook de vraag die aan Johannes wordt gesteld in vers 13. Er worden drie dingen gezegd over de schare die niemand tellen kan.
Het eerste wat van hen wordt gezegd is dat zij uit de grote verdrukking komen.
Gelovigen leven regelmatig in een situatie van verdrukking. Jezus zegt tegen zijn volgelingen: “In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh 16:33). Paulus maakt een rondreis naar gemeenten die hij eerder heeft gesticht “om hen te vermanen om te blijven bij het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan.” (Hand 14:22).
Maar hier gaat het om “de grote verdrukking”. In de Bijbel is dat een korte periode die vooraf gaat aan de wederkomst van Christus. “Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal.” (Mat 24:21). Daarbij zal Hij ook hebben gedacht aan Daniël 12:1 “en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan”.
Is er een principieel verschil tussen de verdrukking die gelovigen altijd ten deel valt en de grote verdrukking aan het eind van de tijden? Aan de ene kant moeten ons realiseren dat
de vroege kerk leefde in de verwachting van de spoedige komst van Christus. In het NT bij de eerste komst van Christus. Daar komt nog bij dat de vervolging van de gemeente verschrikkelijk was. Velen werden gedood om hun geloof.
Dat geldt door de hele geschiedenis heen tot op de dag van vandaag. Steeds zijn er weer gebieden waar de gemeente wordt vervolgd.
Aan de andere kant is er wel een verschil.Het verschil tussen de verdrukking die er altijd geweest is en “de grote verdrukking” zit in het woordje “groot”. De intensiteit van de verdrukking neemt toe. Zoals alles in intensiteit zal toenemen naarmate het einde nadert: oorlogen, rampen, aardbevingen, goddeloosheid, ect.
Omdat Openbaring in de eerste plaats geschreven is aan de gelovigen in Asia aan het einde van de eerste eeuw zijn deze woorden bedoeld als bemoediging voor hen. Om te laten zien waar hun vermoorde geloofsgenoten zijn. En het is geschreven voor de kerk van alle eeuwen, ook voor ons. Om ons te bemoedigen en hoop te geven voor de toekomst.
Het twee wat over de schare die niemand tellen kan wordt gezegd is dat ze witte kleren dragen. Blijkbaar is dat iets wat erg in het oog springt want tot drie maal toe wordt dat gezegd. Direct al aan het begin “bekleed met witte kleren” (v 9). Ook in vers 13 wordt de groep aangeduid als “die bekleed zijn met witte kleren”. Blijkbaar is dat wat opvalt, waarin ze zich onderscheiden.
In vers 14 wordt hun ware identiteit onthuld. Dan blijkt dat zij witte kleren hebben omdat ze hun gewaden hebben gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam. Er staat niet dat ze hun klederen hebben gewassen in hun eigen bloed. Martelaarschap of lijden om Christus wil geeft gelovigen geen streepje voor.
Wat mij onderscheid van mijn ongelovige medemens is niet dat ik beter ben. Ook niet dat ik minder zonde gedaan heb. Johannes zegt dat wij onszelf bedriegen als we zeggen geen zonde te hebben (1 Joh). Wat mij onderscheid is dat het bloed van Jezus mij reinigt van alle zonde.
Dat is de enige reden waarom wij voor God kunnen verschijnen. Zo staat het ook in vers 15. Daarom zijn zij voor de troon van God. Alleen door het verzoenende bloed van Christus hebben wij toegang tot de troon van God.
Dat is dan ook het derde dat wordt gezegd van de schare die niemand tellen kan. Dat zij wonen bij God. God zal zijn tent over ons uitspreiden. Dan zullen wij voor altijd veilig zijn.
Dan zal er geen hoger meer zijn en geen dost. We zullen niet meer worden bevangen door
de hitte van de woestijn van het leven. Want die honger en dorst en die brandende zon die staan voor de gebrokenheid van het leven.
Ik weet niet op welke manier u deelt in die gebrokenheid.
Misschien die steeds terugkerende neerslachtigheid, het leven niet aan kunnen, de twijfel of je eigenlijk wel de moeite waard bent.
Of misschien die eenzaamheid omdat u zoveel mensen bent kwijtgeraakt, een echtscheiding, weinig contact meer met de kinderen.
Of misschien die steeds terugkerende worsteling met één of andere verslaving: kopen, roken, internet, erotiek. Waarin je steeds weer struikelt en jezelf zo waardeloos en mislukt voelt.
Dat zal er straks allemaal niet meer zijn wanneer u bij God woont. En er wordt ook verteld waarom dat zo is. Want (vers 17) Jezus zal ons brengen bij de bron van levend water. Hij zal ons voor eens en altijd brengen bij God zelf. Dan zal onze ziel zich voor altijd kunnen laven aan God. Dan zal hij onze ziel verzadigen met het goede, met God zelf. Dan is alle gebrokenheid en menselijk tekort verdwenen.
Maar er wordt ook nog een andere reden gegeven. God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Ik denk aan mensen uit mijn kennissenkring die recent een kind hebben verloren door een auto-ongeluk. Het zijn christenen en ze vinden troost bij God. Maar toch is er het verdriet en zijn er de tranen.
Maar straks zal God zelf hun tranen en mijn tranen en uw tranen drogen. Er doemt het beeld op van een Vader die een verdrietig kind op schoot neemt en de tranen droogt. En dan is het goed. Dan is het voor altijd goed.
Is dat geen fantastisch vooruitzicht. Midden in welke verdrukking dan ook. Is dat niet de ultieme boodschap van advent. Dat God zelf uw tranen zal drogen.
Vreugde, vreugde, louter vreugde,
is bij U van eeuwigheid.
Schepper die t heelal verheugde,
bron van eeuwge vreugde zijt.
Gij die woont in licht en luister
drijft de schaduwen uiteen.
Hij die zoekend doolt in t duister,
vindt het licht bij U alleen.